De Geschiedenis

keldertekening2
Kasteel de Kelder heeft een rijke geschiedenis waarvan lang niet alles bekend is. Vanaf 1662 komt de voormalige havezate voor in de leenregisters van Gelre, kwartier van Zutphen. Destijds werd dit adellijke huis door de toenmalige eigenaresse in leen opgedragen aan de Staten van Gelderland.

Vroeger sprak men in plaats van kasteel de Kelder van havezate Hagen. Een havezate is oorspronkelijk een kasteelboerderij maar die functie heeft de Kelder slechts eenmaal eeuwen geleden gehad. Er is bekend dat een oud Doetinchems geslacht verschillende vooraanstaande personen heeft opgeleverd nl. schepenen en burgemeesters van de stad. Zij droegen de naam Haegen of van Haegen en het zou goed kunnen dat oude leden van deze familie bezitters waren van havezate Hagen. In 1484 komt een schepen van Doetinchem voor genaamd Haegen. Het jaar daarop een Herbert van Haegen en hij wordt tot 1504 meerdere malen als schepen vermeld. Derick van Hagen was schepen van 1514 tot 1517, Aelbert van 1562 tot 1566, Reiner van 1582 tot en met 1585 en de naam Evert van Hagen wordt genoemd van 1588 tot en met 1626. Deze Evert van Hagen is van 1605 tot 1607 alsmede in 1613 en in 1620-1621 burgemeester van Doetinchem geweest.

Albert van Haeghen wordt van 1661 tot 1663 als schepen genoemd en in het jaar 1661 als burgemeester,terwijl Balthasar van Haeghen in de jaren 1683 tot 1693 diverse malen vermeld wordt, respectievelijk als burgemeester, als schepen en als gasthuismeester. Tenslotte is er nog Evert Godfried van Hagen, hij is schepen van 1685 tot 1694 en in laatstgenoemd jaar tevens burgemeester van Doetinchem. Bovengenoemde personen zijn allemaal lid van een en dezelfde familie en gezien de ligging van Hagen bij Doetinchem mogen we concluderen dat deze familie in eerste instantie bewoner en eigenaar is geweest van de havezate.

Later is de havezate in andere handen beland. In 1653 is Frederica van Voorst, weduwe van Dunnewolt tot de Nevelhorst, eigenaresse van Hagen. De Havezate was waarschijnlijk van haar man maar jonker Ernst van Dunnewolt tot de Nevelhorst raakte op 4 mei 1637 op de Meimarkt te Doetinchem in een gevecht gewikkeld en zo kreeg de weduwe de havezate in handen. Zij en Henrick Frederick Bentinck tot Gansevert verkochten “het adellick huijs ende havezate Hagen, met de Bettinck camp, de Clouse, Toerenstucke, het stucke langs den Bergh, het Cromme Stucke, de Heijdencamp,de Calvercamp de Kismaet genoemd en de weilanden de Loenhorst en Schrijvers maatje, voorts Schaapsdriften, turfvenen en heide” aan Henrick van Boshoff en Margarieta van Leefdael, zijn vrouw.

Laatstgenoemd echtpaar droeg Hagen een paar dagen later op aan hun zoon Henrick Jan van Boshoff tot Zuyderhuys. Deze verklaarde op 2 juni 1656 aan Petrus Hemony een som van 6000 carolusguldens schuldig te zijn en stelde het goed Hagen daarvoor als onderpand. Hij verklaarde eveneens dat zijn zoon Hendrik Jan de som van 6000 gulden, die hij geleend had van Hemony, gebruikt heeft tot betaling van de laatste termijn van de koopsom van het goed Hagen. Deze mededelingen, in een protocol van kentenissen en opdrachten over de jaren 1652-1660 van het Landdrosambt Zutphen zijn gevonden in druk in een Rijksarchief.

Vanaf 19 september 1662 verschijnt het goed Hagen in de leenregisters. Elsebe Margareta van Baer, weduwe van Hans Christiaan van der Schuyren, is dan eigenaresse van de havezate en draagt het goed in leen op aan de Staten van Gelderland en ontvangt het als leengoed weer terug. De omschrijving van het goed is ongeveer dezelfde als die in 1653, er wordt gesproken over de venen, achter het adellijk huis en hof, in het moeras dat aan Sion’s venen grensde. Ook heeft men het over de Haegener venen, jaarlijks goed voor een opbrengst van 3 schepel rogge (Doetinchemse maat) die naar het gilde van St. Catharina ging zoals de garftiende ging naar degene die met garven belast was. Dhr. Frans Cuyper was voogd voor Elsebe van Baer en haar ‘hulder’, degene die de leeneed deed, was Frederik van der Capellen.

keldertekening